Openbaar leenrecht

reprobel library iconOnder ‘openbaar leenrecht’ begrijpen we de uitlening (dus niet de raadpleging ter plaatse) van boeken, tijdschriften, cd’s, dvd’s etc. door openbare bibliotheken. Dat zijn bibliotheken die door de overheid zijn erkend of opgericht met dit specifieke doel.

Ook de vergoeding voor openbaar leenrecht is naar Belgisch recht een ‘wettelijke licentie’. Dat betekent dat hiervoor een uitzondering op het exclusieve auteursrecht bestaat, met een vergoedingsregeling waarvan het tarief bij wet (artikelen XI.192, XI.218 en XI.243-245 WER) en uitvoeringsbesluit is bepaald.

Ook hier zijn het dus niet de auteurs en de uitgevers die het tarief van de vergoeding bepalen, maar de wetgever en (met name) de bevoegde minister. Er zijn overigens lidstaten van de Europese Unie waar het openbaar leenrecht niet op basis van het auteursrecht is geregeld; dat is met name het geval in de Scandinavische landen, waar het leenrecht eerder een lokaal-culturele steunmaatregel is.

Reprobel werd door de bevoegde minister aangesteld als centrale beheersvennootschap voor het openbaar leenrecht. Zij is dus de enige beheersvennootschap die op het Belgische grondgebied leenrechtvergoedingen mag innen.

Uitleeninstellingen die door de overheid officieel zijn erkend of opgericht (bv. openbare bibliotheken) moeten de vergoeding voor openbare uitlening betalen.

De leenrechtvergoeding kan echter volledig of deels gecentraliseerd worden betaald. In dat geval betaalt een overheid (een Gemeenschap bv.) voor alle bibliotheken die onder haar bevoegdheid vallen, of een vereniging van openbare bibliotheken voor de bibliotheken die lid zijn van die vereniging. Die overheid of vereniging moet dan wel aan bepaalde drempelvoorwaarden (zie artikel 12 van het KB van 13 december 2012) voldoen.

Bepaalde door de overheid erkende of opgerichte instellingen zijn echter vrijgesteld van betalingsplicht voor het openbaar leenrecht. Het gaat concreet om onderwijsinstellingen, instellingen voor wetenschappelijk onderzoek, zorginstellingen en instellingen voor blinden, slechtzienden, doven of slechthorenden.

Een Koninklijk Besluit van 13 december 2012 bepaalt dat er een forfait per collectie en een bedrag per uitlening moet worden betaald. Dit K.B. trok een eerder K.B. van 2004 in, en kwam er na een veroordeling van België door het Hof van Justitie van de EU in 2011. Het Europese Hof struikelde met name over het feit dat de oude Belgische leenrechtregeling gebaseerd was op een forfaitaire vergoeding per ingeschreven bibliotheekgebruiker en niet (minstens) ook rekening hield met de collecties van de bibliotheken.

De collectievergoeding is een jaarlijks forfait volgens een staffel op basis van de omvang van de collectie van de openbare bibliotheek (bij het begin van de betreffende referentieperiode). Die staffel bestaat uit zes collectiecategorieën. Hoe groter de collectie, hoe hoger het forfait dus.

Er is wel een correctie (telkens van 5%) voor (a) werken die niet voor uitlening ter beschikking worden gesteld (die dus in de ‘stock’ van de bibliotheek zitten) en (b) werken die tot het publieke domein behoren (die dus niet of niet langer beschermd zijn door het auteursrecht). Die korting heeft een forfaitair karakter, tenzij het volume van de niet voor uitlening ter beschikking gestelde werken in de collectie via een geautomatiseerd en gecentraliseerd gegevensregistratiesysteem kan worden vastgesteld.

De tarieven voor de collecties van de openbare bibliotheken zijn per referentiejaar (bedragen in EUR):

CollectieJaarlijks begrag vanaf referentiejaar 2004 t.e.m referentiejaar 2012
1 tem 12.500300 EUR
12.501 tem 25.000750 EUR
25.001 tem 50.0001.500 EUR
50.001 tem 100.0002.200 EUR
100.001 tem 200.0003.000 EUR
200.001 en meer3.600 EUR
Collectiereferentiejaar 2013referentiejaar 2014referentiejaar 2015referentiejaar 2016referentiejaar 2017
1 tem 12.500345 EUR390 EUR434 EUR479 EUR524 EUR
12.501 tem 25.000862 EUR974 EUR1.086 EUR1.198 EUR1.310 EUR
25.001 tem 50.0001.724 EUR1.948 EUR2.172 EUR2.396 EUR2.620 EUR
50.001 tem 100.0002.529 EUR2.857 EUR3.186 EUR3.514 EUR3.843 EUR
100.001 tem 200.0003.448 EUR3.896 EUR4.344 EUR4.792 EUR5.240 EUR
200.001 en meer4.138 EUR4.675 EUR5.213 EUR5.751 EUR6.288 EUR

Daarnaast moet een bedrag per uitlening worden betaald. Ook hier is er een correctie voor werken die tot het publieke domein behoren (een korting van 5%), evenals voor werken waarvan de uitlening verlengd is. Een verlengde uitlening wordt, op grond van de inleidende overwegingen bij het tariefbesluit van 2012, immers niet als een uitlening beschouwd.

Het bedrag per uitlening is per referentiejaar (in EUR, excl. BTW):

t.e.m 201220132014201520162017
0,01680,01930,02160,02440,02690,0294

Bedraagt het jaarlijks uitleenvolume binnen een bepaalde Gemeenschap niet meer dan 1% van het totaal aantal uitleningen in België, dan geldt er een bijzondere maatregel. Deze gemeenschap – in de praktijk gaat het alléén over de Duitstalige Gemeenschap – betaalt dan een jaarlijks forfaitair bedrag voor collectie en uitlening samen.

Zowel de tarieven voor de collecties als de tarieven voor de uitleningen stijgen trapsgewijs vanaf het referentiejaar 2013 tot en met referentiejaar 2017. Vanaf het referentiejaar 2018 zijn de vergoedingen geplafonneerd op het niveau van de tarieven voor het referentiejaar 2017.

De aangifte van de collectiegegevens gebeurt door de verschillende Gemeenschappen in België (Vlaamse Gemeenschap, Fédération Wallonie-Bruxelles en Duitstalige Gemeenschap), en dat voor de openbare bibliotheken die onder hun bevoegdheid vallen. De aangifte van de uitleengegevens gebeurt ofwel door de uitleeninstelling zelf ofwel door een overheid of een vereniging van uitleeninstellingen.

Als een overheid of een vereniging van openbare bibliotheken gecentraliseerd betaalt, is er een korting voorzien. Bij een gecentraliseerde aangifte en betaling van ofwel de collectie ofwel de uitlening bedraagt die korting 2,5%. Worden zowel de collectie als de uitlening gecentraliseerd aangegeven en betaald, dan is de korting 5%.

In de praktijk wordt de leenrechtvergoeding geïnd in het inningsjaar dat overeenkomt met het referentiejaar + 2. In het inningsjaar 2018 wordt dus geïnd voor het referentiejaar 2016, in het inningsjaar 2019 voor het referentiejaar 2017 etc.

De leenrechtvergoeding kan geheel of gedeeltelijk worden verhaald op de bibliotheekgebruikers.

Naast de toepasselijke wet- en regelgeving, zijn op die betaling steeds de factuurvoorwaarden van Reprobel van toepassing, tenzij u een overeenkomst sluit met Reprobel en die overeenkomst afwijkt van deze factuurvoorwaarden

Wenst u aan te geven en/of te betalen voor het openbaar leenrecht, dan neemt u contact op met Reprobel via mail (vragen@reprobel.be) of telefonisch op het nummer 02/ 551 03 24.

Wettelijk (artikel XI.243 WER) zijn de auteurs en de uitgevers de begunstigden van de vergoedingsregeling als het gaat om de openbare uitlening van tekstwerken, visuele werken en databanken. Er bestaat een wettelijke verdeelsleutel (artikel XI.245, § 1, WER): de auteurs krijgen 70% van de leenrechtvergoedingen, de uitgevers 30%. De verdere verdeling van deze vergoedingen gebeurt in het Auteurscollege (voor het auteursdeel) en in het Uitgeverscollege (voor het uitgeversdeel) van Reprobel, volgens specifieke verdelingsregels voor het openbaar leenrecht die deze beide Colleges hebben aangenomen.

Gaat het om de uitlening van muziekwerken en audiovisuele werken (artikel XI.245, § 2, WER) , dan zijn de auteurs, de uitvoerende kunstenaars en de producenten de wettelijke begunstigden. Elk van die groepen begunstigden krijgt wettelijk één derde van de vergoeding.

Al deze verdeelsleutels zijn van dwingend recht, en het deel toegewezen aan auteurs en uitvoerende kunstenaars is wettelijk onoverdraagbaar.

Omdat Reprobel uitsluitend auteurs en uitgevers vertegenwoordigt en omdat er ook andere wettelijke begunstigden zijn voor het openbaar leenrecht, hebben Reprobel en Auvibel – de centrale beheersvennootschap voor thuiskopie die (ook) de audiovisuele en muziekrechthebbenden vertegenwoordigt – een mandaatovereenkomst gesloten. Op grond van die overeenkomst wordt een vast deel (16,5%) van de geïnde leenrechtvergoedingen doorgestort aan de audiovisuele en muziekrechthebbenden.

Reprobel is daarbij een louter doorgeefluik van de vergoedingen die ze int. Ze int die vergoedingen namelijk niet voor zichzelf maar voor rekening van de begunstigden. Reprobel vertegenwoordigt wettelijk alle Belgische auteurs en uitgevers en alle andere begunstigden van de vergoedingsregeling ter zake van de vergoeding uit openbaar leenrecht. Na aftrek van haar werkingskosten en van de wettelijk verplicht aan te leggen reserves en provisies, keert Reprobel de vergoedingen dan ook integraal aan de (vertegenwoordigers van) de begunstigden uit.

Binnen Reprobel bestaan daarvoor twee Colleges: het Auteurscollege en het Uitgeverscollege. De hoofdopdracht van die Colleges – die autonoom ten overstaan van elkaar functioneren – is om de leenrechtvergoedingen op een eerste niveau te verdelen. In het Auteurscollege zijn alle leden-beheersvennootschappen van Reprobel verzameld die auteurs vertegenwoordigen. In het Uitgeverscollege zijn alle leden-beheersvennootschappen van Reprobel verzameld die uitgevers vertegenwoordigen. Elk van die leden-beheersvennootschappen krijgt een deel van de geïnde vergoedingen op basis van verdelingsregels die de Colleges apart aannemen.

Reprobel verdeelt de geïnde leenrechtvergoedingen in de regel dus niet zelf onder de individuele begunstigden (auteurs of uitgevers). Dat doen haar leden-beheersvennootschappen van auteurs en uitgevers, op basis van hun eigen verdelingsregels die specifiek zijn toegesneden op hun ledenbestand en repertoire. (De verdere verdeling van het deel voor de muziek- en filmwerken gebeurt op het niveau van Auvibel.)  Er zijn immers vele soorten auteurs (literaire auteurs, auteurs van informatieve, educatieve of wetenschappelijke boeken, journalisten, fotografen, makers van andere visuele werken, vertalers, …) en diverse soorten uitgevers (van boeken, kranten, tijdschriften, …).

Een deel van de geïnde leenrechtvergoedingen is bestemd voor buitenlandse auteurs en uitgevers. Daarvoor sluit Reprobel een zgn. ‘bilaterale’ of ‘unilaterale’ overeenkomst met een partnerorganisatie in het buitenland. Zo heeft Reprobel recent een overeenkomst gesloten met de Nederlandse Stichting Pro die uitgevers vertegenwoordigt, en dat voor leenrechtvergoedingen geïnd bij de Vlaamse Gemeenschap. Met de Nederlandse stichtingen Lira en Pictoright, die auteurs vertegenwoordigen, lopen de onderhandelingen nog. Omgekeerd ontvangen Belgische auteurs en uitgevers ook leenrechtvergoedingen uit het buitenland. Voor Nederland loopt die vergoedingsstroom buiten Reprobel om.

Reprobel verdeelt in de regel de door haar geïnde leenrechtvergoedingen onder haar leden-beheersvennootschappen van auteurs of uitgevers (zie: “Waar gaan de geïnde vergoedingen naartoe?”)

In principe ontvangt u die vergoedingen als auteur of uitgever dus niet van Reprobel maar van de beheersvennootschap waarbij u zelf bent aangesloten. Een aansluiting bij een beheersvennootschap wordt trouwens ook om andere redenen sterk aanbevolen. Doorgaans bieden beheersvennootschappen hun leden ook individuele dienstverlening aan en in sommige gevallen beheren ze ook andere rechten (bv. secundaire exploitatierechten zoals opvoeringen of digitaal hergebruik) voor u.

U kan als individuele auteur of uitgever ook rechtstreeks leenrechtvergoedingen van Reprobel ontvangen. In dat geval bent u een ‘niet aangesloten begunstigde’. De organieke documenten van Reprobel regelen in detail hoe u die vergoeding kan ontvangen. Reprobel berekent die vergoeding overigens niet zelf. Dat gebeurt door één van haar leden-beheersvennootschappen (de ‘referentiebeheersvennootschap’), aangesteld door het Auteurscollege of het Uitgeverscollege van Reprobel. De referentiebeheersvennootschap kan u daarvoor een beheerskost aanrekenen.