Wetten en regels

De aanzet om tot een Belgische regeling voor het leenrecht te komen, werd ingegeven door een van 19 november 1992 betreffende het verhuur, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom (P.B., L. 346, 27 november 1992) die een lichte wijziging onderging middels een .

Dit vertaalde zich in België in de Wet van 30 juni 1994 op de auteursrechten en de naburige rechten (B.S. 27 juli 1994, err. B.S. 5 november 1994, err. B.S. 22 november 1994), gewijzigd door de wet van 3 april 1995 (B.S. 29 april 1995), gewijzigd door de wet van 31 augustus 1998 (B.S. 14 november 1998) en gewijzigd door de wet van 22 mei 2005 (B.S. 27 mei 2005). Kortweg wordt deze wet de Auteurswet (AW) genoemd.

Vooral artikels 23, 47, 62 en 63 van deze Auteurswet zijn van tel voor het leenrecht.
Artikel 23§1 zegt dat de auteur de uitlening van werken van letterkunde, databanken, fotografische werken, partituren van muziekwerken, geluidswerken en audiovisuele werken niet kan verbieden, wanneer:
  • die uitlening geschiedt met een educatief of cultureel doel
  • door instellingen die daartoe door de overheid officieel zijn erkend of opgericht
Artikel 47§1 zegt dat de uitvoerende kunstenaar en de producent van fonogrammen en van eerste vastleggingen van films de uitlening niet kunnen verbieden, wanneer:
  • die uitlening geschiedt met een educatief of cultureel doel
  • door instellingen die daartoe door de overheid officieel zijn erkend of opgericht
Artikel 62 zegt dat in geval van uitlening van:
  • werken van letterkunde
  • databanken
  • fotografische werken
  • partituren van muziekwerken
  • geluidswerken of audiovisuele werken
onder de voorwaarden genoemd in de artikelen 23 en 47, de auteur, de uitvoerende kunstenaar en/of de producent recht hebben op een vergoeding
Artikel 63 §2 zegt dat de koning één vennootschap kan belasten met de inning en de verdeling van de vergoedingen voor openbare uitlening:
  • overeenkomstig de door hem gestelde voorwaarden en nadere regels
  • waarbij alle categorieën van rechthebbenden door de beheersvennootschap vertegenwoordigd dienen te zijn
De onwil of terughoudendheid van de Belgische overheid om de betrokken artikels concreet te maken door middel van een uitvoeringsbesluit, leidde tot een rechtszaak en uiteindelijk tot een veroordeling van de Belgische Staat.

Zo werd België verplicht om voor 1 april 2004 een regeling te treffen, waarna desgevallend stevige boetes zouden volgen. Hoewel de regeling op nationaal niveau diende te worden getroffen, zouden het - volgens de logica van de Belgische staatshervorming - de instellingen van de drie Gemeenschappen moeten zijn die uiteindelijk de zaak zouden moeten beslechten. Zeer waarschijnlijk was (en is?) dit één van de hete hangijzers in dit dossier.

Ter elfder ure kwam er het betreffende de vergoedingsrechten voor openbare uitlening van de auteurs, vertolkende of uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en producenten van eerste vastleggingen van films (B.S. 14 mei 2004).

Ten slotte diende Reprobel nog te worden aangeduid als de verantwoordelijke beheersvennootschap, wat gebeurde met het

Ter informatie: